Mijn kindertijd heeft nooit zijn magie verloren, nooit zijn geheimzinnigheid verloren en nooit zijn dramatiek.
Louise Bourgois, kunstenares
Als je staat aan het begin van je kennen, sta je aan het begin van je voelen. Wie alleen kan zien wat het licht onthult en alleen kan horen wat het geluid verkondigt, ziet en hoort eigenlijk niets.
Kahlil Gibran
Men moet vrouw, kind of apostel wezen om te geloven dat liefde alle dingen overwint. (Multatuli, Ideeën, eerste bundel, idee 238(ged.), blz. 157)
O nog eenmaal kind te wezen In mijns vaders hooge woning, Spelend met mijn spelgenoten In den koelen olmenhof,
(Geerten Gossaert, Glaukos (fragm.), Experimenten, blz. 36)
en het is later aan 't worden over de kanalen ligt stilte de maan wordt voortgestuwd zeeroverschip op wolken ik weet dat je erg ver af bent.
Hans Lodeizen, Zonder Voeten, Gedichten, blz 38
Tederheid dat is het antwoord op een vraag die niet gesteld is. De geur van ieder najaar bedoel ik, de vraag wanneer, waar was het, en daar het antwoord op.
Rutger Kopland
Maar wat ik van je wil is illusie - dat je de wereld laat dansen.
(Virginia Woolf in een brief aan Eithel Smyth, 15/8/1931)
Wij zijn maar als de blaren in de wind ritselend langs de zoom van oude wouden, en alles is onzeker, en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, kind -
(A. Roland Holst, Zwerversliefde (fragment)
Ik kwam tot hier, en zag. Ik zocht Iets anders maar geen sterveling vindt, Ook niet aan 't einde van zijn tocht, De dingen die hij droomde als kind.
(P.N. van Eyck, (fragm.), Gedichten, blz. 35)
Ik die in het leven heb gehuild Als een kind heel dikwijls: ik wilde Toch niets anders dan dat de bloemen Verdorden en dat de nachtegaal Niet eeuwig voor het raam bleef zingen.
(Hans Lodeizen, Gedichten, blz 122)
zoals de koelte 's nachts langs lelies en langs rozen als witkoraal en parels diep in zee zoals wat schoon is rustig schuilt maar straalt wanneer ik schouwen wil zo meen ik dat ook jij bent.
(Jan Hanlo)
Ik kijk naar buiten verdeel in gedachten de lucht daar is de vogel toch weet ik dat er een stukje ontbreekt.
(J. Bernlef, Gedachten bij een teruggevonden legpuzzel)
Wanneer ik morgen doodga, vertel dan aan de bomen hoeveel ik van je hield. Vertel het aan de wind, die in de bomen klimt of uit de takken valt, hoeveel ik van je hield. Vertel het aan een kind, dat jong genoeg is om het te begrijpen. Vertel het aan een dier, misschien alleen door het aan te kijken. Vertel het aan de huizen van steen, vertel het aan de stad, hoe lief ik je had.
(Hans Andreus uit Al ben ik een reiziger 1959)
Soms, als een soort vleugelslag, kan je me nog wel eens verschijnen.
Als een rimpeltje over 't water, een vlindertje door het lover.
Prachtig, maar zo klein, dat je wel weer snel verdwenen moet zijn.
Jij in jouw hoekje, en ik in 't mijn.
(Jacob Groot)
|